Antwerps.be - alles over de Antwerpse taal

Aentwaerps Nederlands

Menu

... of dubbelklik op eender welk Antwerps woord op deze site!

Ol of nol?
25 juni 2009, 15:16
Richard Meulders
Een bekende Antwerpse uitdrukking kunnen we spellen als: 'ne sjot tegen oewen ol' of 'ne sjot tegen oewe nol'

Het is evident 'ol als de Antwerpse versie van het Nederlandse 'hol' te zien, maar in het Nederlands is dat woord onzijdig, terwijl het in het Antwerps mannelijk zou zijn: den ol.

Nochtans kan men in het Antwerps ook zeggen: 'het ol van de liw', waar 'ol' dan wl onzijdig is.

Samengevat: zijn er in het Antwerps twee 'ollen': het ol en den ol. Of zou er toch een woord 'nol' bestaan, dat dan mannelijk zou zijn: de nol?
25 juni 2009, 15:54
Krommenaas
ik dacht vruger oek da 't nol was, mor 'k em me deur liekestekste te leze laten overtuige da 't ol is. 't is trouwes een verwarring die nog veurkomd; der zen bvb mense die denke da 't ne napshaer is in plts van nen apshaer.

da 't mannelijk is wild niks zegge, der zen veul Aentwaerpse mannelijke woorde die in 't Ollands onzijdig zen - ier is ne lijst.

mor g'ed in ieder geval wel gelijk da 't ni etzelfste woord als "et ol" kan zen, da moet ek is aanpassen in de woordenboek.
25 juni 2009, 18:18
Grytolle
bekendste voorbeeld is trouwens "de nonkel" uit "den onkel" :)
25 juni 2009, 18:19
Grytolle
en il tof oem te zing da' ge de schrijfwijze perfect lekt te b'irse, richard!
26 juni 2009, 00:14
Krommenaas
Grytolle (25 juni 2009, 18:18)
bekendste voorbeeld is trouwens "de nonkel" uit "den onkel" :)
 
hm mor da's wel echt nonkel eh, bvb in ik em drei nonkels. is die n der dan bijgekome deur verwarring? is dad algemin geweten?
26 juni 2009, 01:19
Grytolle
ja, da's algemin gewete :D denkt mor on uncle, oncle, onkel

en ge bedoeld "drij" denk ek :@
26 juni 2009, 02:11
Richard Meulders
Eerlijk gezegd had ik tot nu toe nooit anders aan het woord in kwestie gedacht dan als 'nol', en ik was er rotsvast van overtuigd dat 'nol' als woord zelf bestond. Bv. 'me(u)ne nol joekt', omdat een fonetische spelling als 'me(u)nen ol joekt' zo raar lijkt. Maar als kind 'mishoorde' ik de uitdrukking 'da's na de koambel!' ook altijd als 'da's na de koabel'! Het Franse woord 'le comble' kende ik toen nog niet, een 'kabel' natuurlijk wl. Volksetymologie dus ;-)
28 juni 2009, 15:47
Doederik
wa betikend "koambel"?

en nol, napsjaar, idd verkird' erinterpretases. Oek in 't nederlands, (n)en nadder -> adder (latijn natrix, (n)en naak (bot) -> aak enz., l'ombre -> lommer/loemmer(te)

As "nol" oek kan veurkome zonder nen/den/diejen ofzo derveur dan is et wel een evewerdig alternatief vr ol. Ik ken iig veul mense da' denke da-g-et nol is.
28 juni 2009, 16:08
Grytolle
Yup, b'alven et lidwoord ne[n] en mss di[n] zal et Ollands ok is alle -n-vrme gekend ebbe.. allin is d'n-apocoop daar varder deurgedroenge.. deurda' de n der sneller funkselos is gewrre
28 juni 2009, 16:59
Doederik
ja mor ollands ee wel "een" en dad endigd oek m n, dus da komd oep etzelfste neer
28 juni 2009, 17:26
Grytolle
ja, b'alve da't geslacht daar dus slechter gemarkeerd was en dus kost et onderscheid m/v sneller verdwijne
2 juli 2009, 17:55
Doederik
Eigentlak is den besten truk der mirvoud van te make. As ge zegd, ine nol, twi nolle is et nol, as ge zegd ine nol, twi olle is et ol.
2 juli 2009, 21:42
Krommenaas
Doederik (2 juli 2009, 17:55)
Eigentlak is den besten truk der mirvoud van te make. As ge zegd, ine nol, twi nolle is et nol, as ge zegd ine nol, twi olle is et ol.
 
mor aangezing niemand et ot over mir as inen ol tegelijk ee wete we dus of et twi ollen of twi nollen is.

nor mij gevuul is et oek nol, alted gedacht da 't nol was totda 'k ol tegekwam in liekestekste.
17 juni 2010, 19:29
Anoniem
ik vraag me trouwens al lang af , vanwaar aschaer komt ...
het dichtste wat ik gevonden heb ; is een dorp in spanje met wat bekende criminelen ; abejar
just ?

ps > u mag ook mailen naar erikdastudio@yahoo.co.uk
17 juni 2010, 19:30
Anoniem
sorry, apshaer
18 juni 2010, 13:40
Krommenaas
'k weet et ni, mor ier eed iemand een theorie:
http://www.vlaamswoordenboek.be/definities/toon/6100
18 juni 2010, 20:22
Doederik
Ze zeggen oek van in of aenderen Indische prins Nabshar (of m een aender spelling kan oek, Napsjar oid, Nabchar etc) dad ot is oep bezuuk was in Aentwaerpe, en di z'ne naam is dan as uitdrukking blijve vortlve.

T lekt ni dad iederendin 't er over ins is :)
1 augustus 2010, 11:19
Luc
HAPSCHAAR

Woordsoort: znw.(m.,v.)

Modern lemma: hapschaar
HAPSCHAARD; HAPSAARD, APS(J)AAR(D); daarnaast (het oudere?) HAPSCHEER(E) (enkele malen vindt men ook HAPSCHEERDER) , znw. m. (en vr., immers soms in toepassing op eene vrouw gebezigd; zie onder 5); mv. -aren, -aar(d)s. Ongetwijfeld hetzelfde woord als gelijkbet. fra. happechair en wel waarschijnlijk eene vervorming daarvan, al blijft ook het omgekeerde mogelijk (FRANCK wijst er b.v. op dat het tweede lid schaar, scheer (uit schēre) heel goed aan hd. scherge, gerechtsdienaar, zou kunnen beantwoorden).
+ᴁ1. Naar het oorspronkelijk, nog hier en daar in Vlaanderen gangbaar gebruik, eene meer of minder schertsende benaming voor den een of anderen lageren dienaar van het gerecht (zie de voorbeelden), te vergelijken met een term als b.v. dievenvanger.
Hapschaer (Veld-beul), a Catch-pole, Bum-baily, or a Hang-man belonging to an army, SEWEL.
Hapschaaren: Dienaars van den Generaal Provoost, DIBBETZ, Milit. Wdb. 286 a [1740].
Hapscheerder Diender, Rakker, MARIN.
In de Hapscheerders handen vervallen. Tomber entre les mains des Recors, pousse-cu, chassecoquins, Ald. De dief is de hapsaards ontloopen, DE BO 358 b [1892].
Tot dienst ende hulpe van (den hoogbaljuw en den schout van Brugge) zijn gestelt thien bystandige Apzaerden, dewelcke enz., DE DAMHOUDER, Grootdad. 519.
Daemones laet sijne hapscheerders een hoereweert grijpen ende op het vier leggen, ERASMIUS 2, 107.
De Meyt van Jems de Hapscheer, BURGHOORN, Kl. Snorre-Pyp. 1, 7.
Myn Grootvar was een hapscheer in 't leger, De Vakantie, 36.
Papieren , die mij zeer nuttig zijn, wanneer deze of gene hapscheer mij komt praaien en verzoeken mijne kleuren te wijzen, V. LENNEP, Rom. 3, 321 [1840].
Moorden. Zijn draad is afgesnen. Ik heb 't volvoerd. Macb. Gij zijt de beste hapschaar, V. D. BERGH, Bloeml. uit Shakesp. 83.
Sint Ambrosius was rustwaarder bij 't volk en is deswegen Patroon der hapsaarden (die men heet gens d'armes), Duikalm. 1895 (op 7 Dec.).
gy zult hangen, schurk: messieurs die dezerteeren,
En paerden steelen, moet de hapschaer klimmen leeren.
LANGENDIJK 2, 213.
ᴁ Als een scheldwoord gebezigd.
J. De Baron heeft al over jaar en dag, de weerg van uw Degen gedraagen. G. Maar waarom heeft hy me dan verrast? Die Hapscheer moest my waarschouwen, V. D. HOEVEN, Waarzegster, 83.
ᴁ In Zuid-Nederland gebezigd in toepassing op een durfal van een jongen. Verg. 't is ne gendarme van ne' jongen (Loquela 4, 2 [1884]).
Onversaafderik, stouterik, deurendal, stoute jongen, ruischebuische, t. a. pl. (Loo).
2. Soms naar 't schijnt (zie althans beneden de Samenst. hapscheersknecht) gebezigd voor: veldbarbier, en zulks voorzeker door bijgedachte aan veldschere, veldscheer.
3. Inhalig persoon; vrek. Bij V. DALE als gewestelijk vermeld en in dien zin b.v. uit Maaseik bekend.
4. In de Zaanstreek. Rare vent; vreemde snuiter. Zie nader BOEKENOOGEN 293.
5. In den omtrek van Deventer, te Bathmen b. v., als hapscheere, in toepassing op eene vrouw die een grooten mond opzet en wartaal uitslaat (verg. ook BOEKENOOGEN 293).
6. Te Oostende (als absjaar, zie DE BO 358 b [1892]) de naam voor zekeren visch, t.w. voor Callionymus lyra. Zie over die benaming nader DE BO 358 b [1892].
Afl. Hapscheeren, in de uitdr. Op een hapscheeren gaan, op een vechten gaan, tot kloppen komen (Als het op een hapscheren gaet, is hy maer een bloode loer, ERASMIUS 1, 9; Wonder , als het op een hapscheeren ginck, hoe couragieuslijck hy enz. 1, 163)
verhapscheeren, zooveel als: verhandelen, verhakstukken (Wat heb-jij hier te verhapscheeren? BOEKENOOGEN 11211122).
Samenst. (in de bet. 2) Hapscheersknecht (Hij (een barbier) wist, hoe het allarm in 't oorlogsveld begon, Toen hij als hapscheersknecht de plijsters had gestreken, BARTELINK, B. Kermis 25 [1774]).
2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1899.