Antwerps.be - alles over de Antwerpse taal

Aentwaerps Nederlands

Menu

... of dubbelklik op eender welk Antwerps woord op deze site!

Antwerps Woordenboek


163 woorden beginnen met een A...
Pagina's: 1 | 2 | 3 | 4

a

    
[a]
 
 pers. vnw. 
hij - onderwerpsvorm, gereduceerde vorm van ij
  • a ee' zwart aar
+ door Krommenaas

a

 of 

a'

    
[a]
 
 voegw. 
a[d]
als, wanneer, toen
  • a' g'et mor fret
+ door Krommenaas

a

 of 

a'

    
[a]
 
 tsw. 
 
a[d]
 
1 als - toevoegsel aan voegwoorden
  • een avendmaal meh brod en roeie wijn, lak a 't moet zijn
2 als - toevoegsel aan betrekkelijke voornaamwoorden
  • gij zeh' de vrou die a 'kik wil
+ door Krommenaas
error

aanduffele

    
[ɒnduffələ]
 
 ww. 
 
aanduffele(n)
 
- duffelde(n) aan
 
- aangeduffeld
iemand anders goed warm aankleden; van induffele
  • g'ed oewe kleine goed aangeduffeld
+ door Krommenaas
OTT-vervoeging van aanduffele
ik duffel aanwij duffele(n) aan
gij duffelt aan
duffeld(e) gij aan
golle duffelt aan
  ↔ duffeld(e) gollen aan
ij duffelt aanzun duffele(n) aan
OVT-vervoeging van aanduffele (zwak)
ik duffelde(n) aanwij duffelde(n) aan
gij duffelde(n) aan
duffelde(n) gij aan
golle duffelde(n) aan
  ↔ duffelde(n) gollen aan
ij duffelde(n) aanzun duffelde(n) aan

aangebraend

    
[ɒngəbraent]
 
 bn. (pred.) 
dronken - meestal in de verleden tijd gebruikt; syn. aangesmord
  • a was gistere wer goe aangebraend
+ door Krommenaas

aangesmord

    
[ɒngəsmord]
 
 bn. (pred.) 
1 (fig) dronken - meestal in de verleden tijd gebruikt; syn. aangebraend
  • a was gistere wer goed aangesmord
2 vuurtje (krijgen of geven) voor een sigaret met de brandende tip van een ander sigaret
  • 'k'ad gin vuur dus emmek aangesmord
+ door derek

aangetroud

    
[aangtrout]
 
 bn. 
 
aangetroud
 
aangetrouwd
  • is da famille van au? nee, da's nen aangetroude nonkel
+ door derek
Verbuiging van aangetroud
mannelijkvrouwelijkonzijdig
enkelvoudaangetroude[n]aangetroud(e)aangetroud
meervoudaangetroud(e)

aangeveze

    
[aangveez]
 
 bn. (pred.) 
aangeveze(n)
dronken     
  • gistere was 'em goe aangeveze
+ door derek

aanjaere

    
[ɒnjaerə]
 
 ww. 
 
aanjaere(n)
 
- jaerde(n) aan
 
- aangejaerd
1 aanaarden, aanvullen, ophogen, opvullen met aarde - planten of zaden met aarde bedekken
  • a ee' zjust peekes gezaaid en a is z'on 't aanjaere
2 (fig.) iemand opjutten, stokebrand spelen
  • de ois was de Jos wer goe on 't aanjaere
+ door derek
OTT-vervoeging van aanjaere
ik jaer aanwij jaere(n) aan
gij jaerd aan
jaerd(e) gij aan
golle jaerd aan
  ↔ jaerd(e) gollen aan
ij jaerd aanzun jaere(n) aan
OVT-vervoeging van aanjaere (zwak)
ik jaerde(n) aanwij jaerde(n) aan
gij jaerde(n) aan
jaerde(n) gij aan
golle jaerde(n) aan
  ↔ jaerde(n) gollen aan
ij jaerde(n) aanzun jaerde(n) aan

aankli

    
[aankli]
 
 ww. 
 
aankli
 
- klide(n) aan
 
- aangeklid
aankleden
  • ze zen uneige rap on 't aankli
+ door Krommenaas
OTT-vervoeging van aankli
ik kli aanwij klin aan
gij klid aan
klid(e) gij kli
golle klid aan
  ↔ klid(e) golle kli
ij klid aanzun klin aan
OVT-vervoeging van aankli (zwak)
ik klide(n) aanwij klide(n) aan
gij klide(n) aan
klide(n) gij aan
golle klide(n) aan
  ↔ klide(n) gollen aan
ij klide(n) aanzun klide(n) aan

aanoudster

    
[aanoutstr]
 
 zn. (v) 
 
een/d' ~, aanoudsters, aanoudsterke
minnares - waarmee men een buitenechtelijke relatie heeft
  • nah kreeg 'kik een telefonneke van m'n aanoudster
+ door Krommenaas

aanouwer

    
[aanouwr]
 
 zn. (m) 
 
nen/den ~, aanouwers, aanouwerke
minnaar - waarmee men een buitenechtelijke relatie heeft
  • z'is oep reis meh euren aanouwer
+ door Krommenaas

aanouwerij

    
[aanouwerij]
 
 zn. (v) 
 
een/d' ~
buitenechtelijke relatie - zie ook aanouwer en aanoudster
  • die twi doeng on aanouwerij, ze zen alletwi getroud mor ni meh mekaar
+ door derek

aansmore

    
[aansmor]
 
 ww. 
 
aansmore(n)
 
- smorde(n) aan
 
- aangesmord
sigaret aansteken met een andere, reeds brandende sigaret
  • mah 'k is aansmore?
+ door Krommenaas
OTT-vervoeging van aansmore
ik smor aanwij smore(n) aan
gij smord aan
smord(e) gij aan
golle smord aan
  ↔ smord(e) gollen aan
ij smord aanzun smore(n) aan
OVT-vervoeging van aansmore (zwak)
ik smorde(n) aanwij smorde(n) aan
gij smorde(n) aan
smorde(n) gij aan
golle smorde(n) aan
  ↔ smorde(n) gollen aan
ij smorde(n) aanzun smorde(n) aan

aantakele

    
[aantaakl]
 
 ww. 
 
aantakele(n)
 
- takelde(n) aan
 
- aangetakeld
slecht kleden - slecht passende of slecht bij elkaar passende kleren dragen, zich onverzorgd kleden; wellicht een samentrekking van aankli (aankleden) en toetakele
  • e zedde gij nah aangetakeld?
  • ge ze wr aangetakeld van de kapel?
+ door Krommenaas
OTT-vervoeging van aantakele
ik takel aanwij takele(n) aan
gij takeld aan
takeld(e) gij aan
golle takeld aan
  ↔ takeld(e) gollen aan
ij takeld aanzun takele(n) aan
OVT-vervoeging van aantakele (zwak)
ik takelde(n) aanwij takelde(n) aan
gij takelde(n) aan
takelde(n) gij aan
golle takelde(n) aan
  ↔ takelde(n) gollen aan
ij takelde(n) aanzun takelde(n) aan

aantalore

    
[aantalor]
 
 ww. 
 
aantalore(n)
 
- talorde(n) aan
 
- aangetalord
opdirken - zoals oeptalore maar dan in uitgesproken negatieve zin
  • e is die nah aangetalord!
+ door Krommenaas
OTT-vervoeging van aantalore
ik talor aanwij talore(n) aan
gij talord aan
talord(e) gij aan
golle talord aan
  ↔ talord(e) gollen aan
ij talord aanzun talore(n) aan
OVT-vervoeging van aantalore (zwak)
ik talorde(n) aanwij talorde(n) aan
gij talorde(n) aan
talorde(n) gij aan
golle talorde(n) aan
  ↔ talorde(n) gollen aan
ij talorde(n) aanzun talorde(n) aan

aanverde

    
[aanverd]
 
 ww. 
 
aanverde(n)
 
- aanverdde(n)
 
- aanverd
aanvaarden
  • d'eilige poeng eed altijd wette gebroke, ge moet dad aanverde
  • ba de rijkswacht wrde gij direct aanverd
+ door Krommenaas
OTT-vervoeging van aanverde
ik aanverdwij aanverde(n)
gij aanverd
aanverd(e) gij
gollen aanverd
  ↔ aanverd(e) golle
ij aanverdzun aanverde(n)
OVT-vervoeging van aanverde (zwak)
ik aanverdde(n)wij aanverdde(n)
gij aanverdde(n)
aanverdde(n) gij
gollen aanverdde(n)
  ↔ aanverdde(n) golle
ij aanverdde(n)zun aanverdde(n)

aanvijze

    
[aanvijze]
 
 ww. 
 
aanvijze(n)
 
- vees aan
 
- aangeveze(n)
terechtwijzen - iemand op een fout wijzen
  • na die nota in z'nen agenda ee' ze vader 'em is goe aangeveze
+ door derek
OTT-vervoeging van aanvijze
ik vijs aanwij vijze(n) aan
gij vijsd aan
vijsd(e) gij aan
golle vijsd aan
  ↔ vijsd(e) gollen aan
ij vijsd aanzun vijze(n) aan
OVT-vervoeging van aanvijze
ik vees aanwij veze(n) aan
gij vees aan
veesd(e) gij aan
golle vees aan
  ↔ veesd(e) gollen aan
ij vees aanzun veze(n) aan

aardig

    
[aardch]
 
 bn. 
 
aardig
 
- aardiger - aardigste
raar     
  • a de mor aardig vandaag
+ door Krommenaas
Verbuiging van aardig
mannelijkvrouwelijkonzijdig
enkelvoudaardige[n]aardig(e)aardig
meervoudaardig(e)

ababbel

    
[ababəl]
 
 uitdr. 
 
ababbel
 
slag, mep, klets, oplawaai
  • agge na nie'swijgt krij'de sebiet een ababbel p bakkes
+ door derek
error

abatjor

    
[abajoer]
 
 zn. (m) 
 
nen/den abatjor ~
1 abat - jour : jalousin of (doorschijnende) zonneblinden
  • doe'den abatjor toe as ge buitega
2 lampenkap (doorschijnende)
  • ik zuuk nen abatjor voer manne lampader
3 abat - jour : schuin aflopende venster of liggende dakkoepel (moderne abat-jours worden als bolkoepel uitgevoerd)
  • kruipt oep dakske van de keuken en kst den abatjor is af
+ door derek

abattoir

    
[abɑtwar]
 
 zn. (m) 
 
nen/den abattoir ~
slachthuis
  • 'aal man vlis on den abattoir
+ door derek

abel

    
[ɒbl of aebl]
 
 bn. (pred.) 
 
abel(e)
 
bekwaam maar niet specifiek op een kennis of kunde gericht, wel op een bijdragende of meewerkende attitude
  • da's nen abele vent
+ door derek
error

abiet

    
[abiet]
 
 zn. (m) 
 
nen/den ~, abiete(n), abitshe
manteljas - Fr. habit
  • vruger drege manne nen abiet oep chique begrafenisse
  • wel kapitein m'n abiet is kaal
+ door Krommenaas

absjaer

    
[absjaer]
 
 zn. (m) 
 
nen / den absjaar ~
onbetrouwbaar
  • din absjaer, dan zedde zeker gechareld
+ door derek

abumere

    
[abumeer]
 
 ww. 
 
abumere(n)
 
- abumeerde(n)
 
- g'abumeerd
beschadigen - Fr. abmer ← Lat. abyssos ← Gr. abussos
  • zie da' ge da posturreke ni abumeerd
+ door Krommenaas
OTT-vervoeging van abumere
ik abumeerwij abumere(n)
gij abumeerd
abumeerd(e) gij
gollen abumeerd
  ↔ abumeerd(e) golle
ij abumeerdzun abumere(n)
OVT-vervoeging van abumere (zwak)
ik abumeerde(n)wij abumeerde(n)
gij abumeerde(n)
abumeerde(n) gij
gollen abumeerde(n)
  ↔ abumeerde(n) golle
ij abumeerde(n)zun abumeerde(n)

abuus

    
[abuus]
 
 zn. (o) 
 
een/et ~
vergissing
  • Von Braun ee' derna z'n abuus nog ersteld mor dan was 't al jare te laat
+ door Krommenaas

abuus

, ~ zen
    
[abuus]
 
 bijw. 
verkeerd zijn - een foute mening hebben, zich vergissen
  • a was abuus mor a wou 't ni tegeve
+ door Krommenaas

accont

    
[akɔnt]
 
 zn. 
 
een/ de accont ~
voorschot op een aankoop, of voor het reserveren van een bestelling
  • 'kem een accont gegeve
+ door derek

accordere

    
[accorde:rə]
 
 ww. 
 
accordere
 
- accordeerde(n)
 
- g'accordeerd
1 (fig) bij elkaar passend, geassorteerd zijn met (kleding) (zie assorti)
  • oe sjakosse accordeert schon me'oe schoene
2 (fig) gelijkgestemd zijn, kunnen opschieten met, overeenkomen met (persoonlijkheid)
  • charel en maria accordere ilemaal nie me'mekaar
3 (let) gegevens met elkaar in overeenstemming brengen cq controleren of ze met elkaar in overeenstemming zijn
  • controleert die facturen en accordeert de betalinge
+ door derek
OTT-vervoeging van accordere
ik accordeerwij accordere(n)
gij accordeert
accordeerd(e) gij
gollen accordeert
  ↔ accordeerd(e) golle
ij accordeertzun accordere(n)
OVT-vervoeging van accordere (zwak)
ik accordeerde(n)wij accordeerde(n)
gij accordeerde(n)
accordeerde(n) gij
gollen accordeerde(n)
  ↔ accordeerde(n) golle
ij accordeerde(n)zun accordeerde(n)

achterdeur

    
[atərd:r]
 
 zn. 
 
een/d'achterdeur achterdeur[e]
1 (let) deur in de achtergevel/achterzijde van het huis
  • go mor langst d'achterdeur
2 (fig) gek zijn
  • a'is z zot gelak een (zwaaiende) achterdeur
+ door derek

achterdms

    
[atərdms]
 
 uitdr. 
 
achterdms
 
achterbaks, onbetrouwbaar, doet dingen uit het zicht
  • a spelt achterdeums
+ door derek
error

achterin

    
[achtrin]
 
 bijw. 
1 binnenkort
  • achterin is 't gedaan
  • ik gon er achterin meh beginne
2 achter elkaar, na elkaar
  • ze ston ammol achterin
  • dan wil ek wel al die uren achterin blijve zitten
+ door Krommenaas

achterkaent

    
[achtrkaent]
 
 zn. (m) 
 
nen/den ~
achterkant
+ door Krommenaas

achterklap

    
[atərklɐp]
 
 uitdr. 
 
achterklap
 
1 (let) roddel, praat achter de rug
  • ba de coiffeur holt die van ons heure achterklap p
2 (fig) wind (scheet)
  • oei, achterklap
+ door derek
error

achternadoen

    
[atərnɒdoeŋ]
 
 ww. 
 
achternadoen
 
- deej(e)achterna
 
- achterna gedɒ
nabootsen, imiteren
  • allee manne doe ma achterna
+ door derek
OTT-vervoeging van achternadoen
ik doe(n) achternawij doen achterna
gij doe(d')achterna
doe(d')achterna gij
golle doe(d')achterna
  ↔ doe(d')achterna golle
ij doe(d')achternazun doen achterna
OVT-vervoeging van achternadoen (zwak)
ik deej(e)achternawij deej(e)achterna
gij deej(e)achterna
deej(e)achterna gij
golle deej(e)achterna
  ↔ deej(e)achterna golle
ij deej(e)achternazun deej(e)achterna

achternoeng

    
[achtrnoeng]
 
 zn. (m) 
 
nen/den ~, achternene(n)
namiddag
  • 'k em al il den achternoeng de planch van de stad gon schure
+ door Krommenaas

achterport

    
[atərpuərt]
 
 zn. 
 
een /d'achterport achterporte achterportshe achterport(e)
1 (let) poort aan de achterzijde
  • levere on d'achterport
2 (fig) een lacune in de regels
  • die avecate vinde alle achterportshes
3 (fig) (groot) achterwerk
  • amai wa d'en achterport
+ door derek

achturelijk

    
[atu:relaik]
 
 zn. 
 
een / het achturelijk ~
1 (fig) een dode die door armoede door de overheid werd begraven : een achturelijk is een dode waarvoor de misviering om 8 uur ś morgens werd gehouden (goedkoper), een dergelijk lijk werd net voor de viering uit de koeling van het mortuarium gehaald (zie ook elfurelijk)
  • er was niemand p de begrafenis 'et was een achturelijk
2 (fig) lijkbleek
  • de blausde lak een achturelijk
+ door derek

ad

    
[ad]
 
 tsw. 
a[d]
- vorm van a[d]
 
toevoegsel aan voegwoorden en betrekkelijke voornaamwoorden
  • a vreg of ad ons meder thuis was
+ door Krommenaas
error

ad

    
[ad]
 
 voegw. 
a[d]
- vorm van a[d]
als, wanneer, toen
  • ad oe meder oe gemokt ee
+ door Krommenaas

adoewerwa

    
[a]du:werwa]
 
 uitdr. 
eenwoordszin : wordt al een woord, zonder pauzes uitgesproken, komt overeen met de rethorische uitspraak "wat doet hij nu weer?" , en heeft een sarcastische ondertoon, in het publiek uitgesproken is dit zeer beschamend voor degene die ermee aangesproken wordt.
  • adoewerwa
+ door derek

ae

    
[ae]
 
 pers. vnw. 
jou, u - volle niet-onderwerpsvorm voor de tweede persoon enkelvoud
  • is 't ge da 'kik ae in vertrouwe neem?
+ door Krommenaas

ae(w)

    
[ae]
 
 bez. vnw. 
 
aewen, aewe, aew, ae
 
jouw, uw - volle vorm van de tweede persoon enkelvoud. De w van ae(w) wordt enkel toegevoegd wanneer het volgende woord met een klinker begint.
  • ae verstaend zit in ae beauty case
+ door Krommenaas
Verbuiging van ae(w)
mannelijkvrouwelijkonzijdig
enkelvoudaewe[n]ae(w)ae(w)
meervoudae(w)

aebendaens of aebondaens

    
[aebəndaens of aebondaens]
 
 uitdr. 
 
aebendaens of aebondaens
 
1 overvloed, ruime rijkelijke overvloedige keuze
  • et auwelaksbuffet kon ni-oep, nen aebondaens van vis, charcuterie, kes en desserrekes
2 (fig) bod bij het kaarten (wiezen - whist) voor 9 slagen
  • me zannen aebendaens mocht'em uitkome
+ door derek
error

aemper of amper

    
[aempr of ampər]
 
 bijw. 
amper     
  • k'ot een brok immijn keel 'kon nog amper spreken
  • soems is 't ier wel waerm mor da' duurd dan mor aemper een week
+ door Krommenaas

aend

    
[aent]
 
 zn. (v) 
 
een/d' ~, aende(n), andshe
hand     
  • meh ope zwart geld in m'n aend
+ door Krommenaas

aender

    
[aendr]
 
 bn. 
 
aender
 
ander     
  • aender ape zen al afgestraft
  • vr al din aenderen junkfood moette ba den deze zijn
+ door Krommenaas
Verbuiging van aender
mannelijkvrouwelijkonzijdig
enkelvoudaendere[n]aender(e)aender
meervoudaender(e)

aenders

    
[aendrs]
 
 bijw. 
anders     
  • de wereld zie' der aenders uit na een nachtshe drinke
+ door Krommenaas

aendersoem

    
[aendrzoem]
 
 bijw. 
andersom
  • ba mij was 't aendersoem
+ door Krommenaas
Pagina's: 1 | 2 | 3 | 4

Vragen? Kijk eerst in de uitleg bij het woordenboek

Suggesties of opmerkingen? Laat ze ons weten op het forum.