39 woorden beginnen met een C...
[kashpoo]
zn. (m)
ne/de ~, cache-pots, cache-poke
sierpot - om een bloempot in te zetten
[kashet]
zn. (v)
een/de ~, cachette(n)
1 pil - door de apotheker bereide platte pil, een hostie-achtig rond doosje met medicijn in poedervorm
2 bijzondere uitstraling
[kashétring]
zn. (m)
ne/de ~, cachetringe(n)
zegelring - mannenjuweel, gewoonlijk gegraveerd met de initialen van de drager, ter imitatie van de middeleeuwse heren die zo'n ring droegen en er hun handtekening mee in zegellak aanbrachten
rommel, prullen - koopwaar van slechte kwaliteit, zoals namaakjuwelen; Fr.
camelot ← Arab.
hamlat g'ed wer camelot gekocht

onderhemdje - Fr. camisole
[karjeêr]
zn. (v)
een/de ~, carrieêre(n), carriërreke
carrière
[saandri-jee]
zn. (m)
ne/de ~, cendriers, cendrieeke
asbak - Fr.
geld - afgeleid van cent
'k zen m'n cengs vergete


broeksriem, ceintuur - Fr. ceinture
cervelaatworst - It. cervellata ← Lat. cerebellum (hersenen, een oorspronkelijk ingrediënt)
meeval, geluk - Fr. chance
ondervloer leggen - Fr. chape
1 fijne vleeswaren - Fr.
2 vrouwelijke attributen - oren en poten
3 raamprostituees - in het Schipperskwatier
[shoshonëkë]
zn. (o)
e/et chochonneke(n), chochonnekes
babysokje
informele afscheidsgroet; It. ciao
1 bioscoop
2 komedie
oud oep meh oewe cinema


3 filmkunst
[kwafeerë]
ww.
coiffure(n)
- coiffeerde(n)
- gecoiffeerd
knippen - van haar
OTT-vervoeging van coiffere| ik coiffeer | wij coiffere(n) |
gij coiffeerd ↔ coiffeerd(e) gij | golle coiffeerd ↔ coiffeerd(e) golle |
| ij coiffeerd | zun coiffere(n) |
OVT-vervoeging van coiffere (zwak)| ik coiffeerde(n) | wij coiffeerde(n) |
gij coiffeerde(n) ↔ coiffeerde(n) gij | golle coiffeerde(n) ↔ coiffeerde(n) golle |
| ij coiffeerde(n) | zun coiffeerde(n) |
[kwafeur]
zn. (m)
ne/de ~, coiffeurs, coifförreke
kapper
[kwafeus]
zn. (v)
een/de ~, coiffeuze(n), coiffeuzeke
kapster
[kwafuur]
zn. (v)
een/de ~, coiffure(n), coiffurreke
kapsel
[komunisaai]
zn. (m)
ne/de ~, communisaaien, communisaaike
onderkleed - samenstelling van commune en saai
[komunë]
zn. (v)
een/de communne(n), communnes, communneke
communie
oe communne zulde doeng

[konfituur]
zn. (m)
de ~
jam
1 verlof
2 vakantie - Fr.
creperen - afzien, kapotgaan, sterven; Fr. crever
OTT-vervoeging van crevere| ik creveer | wij crevere(n) |
gij creveerd ↔ creveerd(e) gij | golle creveerd ↔ creveerd(e) golle |
| ij creveerd | zun crevere(n) |
OVT-vervoeging van crevere (zwak)| ik creveerde(n) | wij creveerde(n) |
gij creveerde(n) ↔ creveerde(n) gij | golle creveerde(n) ↔ creveerde(n) golle |
| ij creveerde(n) | zun creveerde(n) |
haken - met lussen weefsel vervaardigen; Fr. crocheter
OTT-vervoeging van crochetere| ik crocheteer | wij crochetere(n) |
gij crocheteerd ↔ crocheteerd(e) gij | golle crocheteerd ↔ crocheteerd(e) golle |
| ij crocheteerd | zun crochetere(n) |
OVT-vervoeging van crochetere (zwak)| ik crocheteerde(n) | wij crocheteerde(n) |
gij crocheteerde(n) ↔ crocheteerde(n) gij | golle crocheteerde(n) ↔ crocheteerde(n) golle |
| ij crocheteerde(n) | zun crocheteerde(n) |
Vragen? Kijk eerst in de
uitleg bij het woordenboekSuggesties of opmerkingen? Laat ze ons weten
op het forum.