141 woorden beginnen met een Z...
ze
z'eed iemand aens


1 zich - bij een mannelijk onderwerp
2 zichzelf - bij een mannelijk onderwerp
sabbelen - aan iets zuigen en daarbij veel speeksel achterlaten
OTT-vervoeging van zabbere| ik zabber | wij zabbere(n) |
gij zabberd ↔ zabberd(e) gij | golle zabberd ↔ zabberd(e) golle |
| ij zabberd | zun zabbere(n) |
OVT-vervoeging van zabbere (zwak)| ik zabberde(n) | wij zabberde(n) |
gij zabberde(n) ↔ zabberde(n) gij | golle zabberde(n) ↔ zabberde(n) golle |
| ij zabberde(n) | zun zabberde(n) |
[zabbërér]
zn. (m)
ne/de ~, zabberêrs, zabererreke
1 zeveraar - persoon die zabbert, zevert, (overdadig) speeksel produceert, wiens speeksel gewild of ongewild langs zijn gezicht loopt
2 zagevent - iemand die zaagt, uitweidt of in herhaling valt tijdens een gesprek, altijd over hetzelfde onderwerp begint
1 zeuren
2 zagen
OTT-vervoeging van zage| ik zaag | wij zage(n) |
gij zaagd ↔ zaagd(e) gij | golle zaagd ↔ zaagd(e) golle |
| ij zaagd | zun zage(n) |
OVT-vervoeging van zage (zwak)| ik zaagde(n) | wij zaagde(n) |
gij zaagde(n) ↔ zaagde(n) gij | golle zaagde(n) ↔ zaagde(n) golle |
| ij zaagde(n) | zun zaagde(n) |
[zaagëmeel]
zn. (o)
et ~
zaagsel - zagemeel is een algemeen Vlaams woord dat ook wel verantwerpst wordt tot zagemiêl; ook de vorm zagëmeêl wordt courant gebruikt
[zakkegoed]
uitdr.
1 let: grof geweven bruine jute waarmee zakken werden gemaakt om goederen in te verpakken (zoals steenkool, aardappelen)
2 fig: armtierige, kapotte of gerafelde kledij
error
1 duizend frank - voor de invoering van de Euro
2 zakje
[z[a]tlap]
zn. (m)
ne/de ~, zatlappe(n), zatlapke
dronkaard - zowel voor iemand die regelmatig dronken is als voor de occasionele overdaadpleger, een vrouwelijke zatlap is een zatte fles, een zatte toert of een zatte kont
[zatlappentram]
uitdr.
Tijdens de weekend (op vrijdag - , zaterdag- en zondagavond) wordt 'snachts een extra tram ingezet op alle lijnen (gewoonlijk vertrekt deze tram dan tussen 0:30 en 1:00 'smorgens van het centrum naar de buitenwijken.
error
hoor - stopwoord ter bevestiging
da's ni waar ze


1 ze - onderwerpsvorm derde persoon vrouwelijk enkelvoud (=NL)
2 ze - onderwerpsvorm en niet-onderwerpsvorm derde persoon meervoud (=NL)
3 haar - niet-onderwerpsvorm derde persoon vrouwelijk enkelvoud
bent - vorm vóór een klinker; cfr.
zeh
OTT-vervoeging van zen| ik zen | wij zen |
↔ zedd(e) gij | golle ze[d] ↔ zedd(e) golle |
| ij is | zun zen |
zegt, zei
OTT-vervoeging van zegge| ik zeg | wij zegge(n) |
gij zegd ↔ zegd(e) gij | golle zegd ↔ zegd(e) golle |
| ij zee[d] | zun zegge(n) |
zegt - vorm vóór woorden die met een klinker beginnen
OTT-vervoeging van zegge| ik zeg | wij zegge(n) |
gij zegd ↔ zegd(e) gij | golle zegd ↔ zegd(e) golle |
| ij zee[d] | zun zegge(n) |
zenuwachtig - schertsende benaming
zenuwen - schertsende benaming
zeventig - net als in het Nederlands wordt de begin-z als s uitgesproken
[zegge'dis]
uitdr.
samentrekking van "zeg het eens", meestal gebruikt door iemand in een situatie van autoriteit t.a.v. ondergeschikte (bvb een baas tegen en medewerker, een dokter of notaris tegen een patiënt,..) kan zowel vriendelijk als intimiderend overkomen en connotaties hebben van "ik zal wel eens naar je luisteren, maar ik geloof je toch niet"
error
bent - vorm vóór een medeklinker; cfr.
zed
OTT-vervoeging van zen| ik zen | wij zen |
↔ zedd(e) gij | golle ze[d] ↔ zedd(e) golle |
| ij is | zun zen |
zeg - eerste persoon enkelvoud, verkorte vorm vóór 'k of 'kik
OTT-vervoeging van zegge| ik zeg | wij zegge(n) |
gij zegd ↔ zegd(e) gij | golle zegd ↔ zegd(e) golle |
| ij zee[d] | zun zegge(n) |
[zaajken]
ww.
1 is de "verheffende trap" van plassen, grote hoeveelheden plassen
2 vervelend en onophoudelijk zagen, de zager is een zeiker
** Fout in vervoeging **
OVT-vervoeging van zeiken (zwak)| ik zeek | wij zeek |
gij zeek ↔ zeek gij | golle zeek ↔ zeek golle |
| ij zeek | zun zeek |
zelfde
Verbuiging van zelfste | mannelijk | vrouwelijk | onzijdig |
|---|
| enkelvoud | zelfste[n] | zelfst(e) | zelfste(n) |
|---|
| meervoud | zelfst(e) |
|---|
[zeemëlë]
zn. (mv)
zemele(n)
1 zemelen - afval van graankorrels blijven in het deeg bij een bruin of grof brood
2 zenuwen - afgeleiden zemelpees, zemelzeik(st)er
1 zijn
2 ben - eerste persoon enkelvoud
OTT-vervoeging van zen| ik zen | wij zen |
↔ zedd(e) gij | golle ze[d] ↔ zedd(e) golle |
| ij is | zun zen |
OVT-vervoeging van zen| ik was | wij ware(n) |
gij word ↔ word(e) gij | golle word ↔ word(e) golle |
| ij was | zun ware(n) |
hoor - stopwoord ter bevestiging
[zetgoed]
zn.
et zetgoed ~
1 (let.) zaden en knollen die gepland moeten worden voor de komende oogst
2 (fig.) (snel) opgroeiend meisje
3 (fig.) jong beginnend hoertje van een pooier
zevende
Verbuiging van zeveste | mannelijk | vrouwelijk | onzijdig |
|---|
| enkelvoud | zeveste[n] | zevest(e) | zeveste(n) |
|---|
| meervoud | zevest(e) |
|---|
ziet
OTT-vervoeging van zing| ik zing | wij zing |
↔ zied(e) gij | golle zie[d] ↔ zied(e) golle |
| ij zie[d] | zun zing |
zee
de ziê is een leegte

ziet
OTT-vervoeging van zing| ik zing | wij zing |
↔ zied(e) gij | golle zie[d] ↔ zied(e) golle |
| ij zie[d] | zun zing |
[ziemëlap]
zn. (m)
ne/de ~, ziêmelappe, ziêmelapke
zeemvel
[ziêpsmoel]
zn.
ne ziêpsmoel zeepsmoel
ne ziêpsmoel maakt de mensen bloskes wijs (zie bloskes), met zeepwater blaast men bellen, iemand die de mensen allerlei verhaaltjes verteld heeft ne ziêpsmoel
[ziêpstok]
zn.
ne ziêpstok zeepstok
jammerende vent, iemand die niet kan lachen, een zuurzeiker, azijnpisser, mannelijke ziêptrien
[ziêptrien]
zn. (v)
een/de ~, ziêptriene(n)
zuur vrouwmens - vrouw die niet kan lachen, een zuurpruim
[ziêr]
bijw.
zeer
ziêr wel nor mijn behage

[ziêrgedaan]
uitdr.
1 opgebruikt : in de zin van een portie (eten)
2 opgebruikt : in de zin van budget
3 lichtgeraakt
error
1 zeveren
2 motregenen
OTT-vervoeging van ziêvere| ik ziêver | wij ziêvere(n) |
gij ziêverd ↔ ziêverd(e) gij | golle ziêverd ↔ ziêverd(e) golle |
| ij ziêverd | zun ziêvere(n) |
OVT-vervoeging van ziêvere (zwak)| ik ziêverde(n) | wij ziêverde(n) |
gij ziêverde(n) ↔ ziêverde(n) gij | golle ziêverde(n) ↔ ziêverde(n) golle |
| ij ziêverde(n) | zun ziêverde(n) |
[zift]
zn. (v)
een/de ~, zifte(n), ziftshe
zeef
Vragen? Kijk eerst in de
uitleg bij het woordenboekSuggesties of opmerkingen? Laat ze ons weten
op het forum.